NED
Gratis proefles
Wanneer valt een werkwoord uit elkaar?

Een scheidbaar werkwoord bestaat uit twee stukken: een deeltje en een werkwoord. Stel jezelf steeds één vraag: is dat voorstuk zelf ook een woord?

Wel een woord (op, af, aan, uit, mee, terug, binnen, weg, langs, door, over): dan raakt het los en gaat het naar het eind van de zin.  →  opbellen → ik bel je vanavond op

Geen woord (be-, ver-, ont-, ge-, her-, er-): dan blijft het altijd vastzitten.  →  vertellen → ik vertel het, nooit "ik tel het ver"

In een bijzin is er geen ruimte om uit elkaar te vallen, dus daar klikken de twee stukken weer aan elkaar: …, omdat ik je vanavond opbel. Het voltooid deelwoord krijgt de ge- in het midden: opgebeld, meegenomen, afgesloten. Onscheidbare werkwoorden krijgen juist helemaal geen ge-: verteld, betaald, begrepen.

Vet = meest voorkomend op = het deeltje dat losraakt ver = voorvoegsel dat vastzit
✓ toegevoegd aan je oefenlijst. Oefen je lijst →

Scheidbare werkwoorden