Een scheidbaar werkwoord bestaat uit twee stukken: een deeltje en een werkwoord.
Stel jezelf steeds één vraag: is dat voorstuk zelf ook een woord?
Wel een woord (op, af, aan, uit, mee, terug, binnen, weg, langs, door, over): dan raakt het los en gaat het naar het eind van de zin.
→ opbellen → ik bel je vanavond op
Geen woord (be-, ver-, ont-, ge-, her-, er-): dan blijft het altijd vastzitten.
→ vertellen → ik vertel het, nooit "ik tel het ver"
In een bijzin is er geen ruimte om uit elkaar te vallen, dus daar klikken de twee stukken weer aan elkaar:
…, omdat ik je vanavond opbel. Het voltooid deelwoord krijgt de ge- in het midden:
opgebeld, meegenomen, afgesloten. Onscheidbare werkwoorden krijgen juist helemaal geen ge-:
verteld, betaald, begrepen.