Niveau A2

Oefenexamen: Spreken A2

A full practice exam. 16 questions, 4 parts, about 35 minutes.

Zo werkt dit oefenexamen

16 vragen in 4 delen, ongeveer 35 minuten. Antwoord hardop, in het Nederlands. Je hoort de vraag of je ziet het plaatje, en dan begin je binnen vijf seconden.

Je docent helpt niet tijdens het examen. Begin als je klaar bent.

Deel 1

Vier vragen over jou

You hear each question. Answer, detail, reason.
1
Vraag 1
Luister naar de vraag en antwoord daarna hardop.
2
Deel 1 · vraag 1
Antwoord in twee of drie zinnen: antwoord, detail, reden.
3
Vraag 2
Luister naar de vraag en antwoord daarna hardop.
4
Deel 1 · vraag 2
Antwoord in twee of drie zinnen: antwoord, detail, reden.
5
Vraag 3
Luister naar de vraag en antwoord daarna hardop.
6
Deel 1 · vraag 3
Antwoord in twee of drie zinnen: antwoord, detail, reden.
7
Vraag 4
Luister naar de vraag en antwoord daarna hardop.
8
Deel 1 · vraag 4
Antwoord in twee of drie zinnen: antwoord, detail, reden.
Deel 2

Vertel wat er gebeurt

One picture. Say at least three things. Use full sentences.
Foto 1
Iemand koopt een bank in een meubelwinkel, een verkoper helpt.
Wat gebeurt er? Noem drie dingen.
9
Deel 2 · foto 1
Vertel wat er op het plaatje gebeurt. Noem minstens drie dingen. Gebruik hele zinnen.
Foto 2
Een drukke buitenmarkt, mensen kopen groente en fruit bij kramen.
Wat gebeurt er? Noem drie dingen.
10
Deel 2 · foto 2
Vertel wat er op het plaatje gebeurt. Noem minstens drie dingen. Gebruik hele zinnen.
Foto 3
Een gezin eet samen aan tafel thuis.
Wat gebeurt er? Noem drie dingen.
11
Deel 2 · foto 3
Vertel wat er op het plaatje gebeurt. Noem minstens drie dingen. Gebruik hele zinnen.
Foto 4
Mensen wachten op een treinstation, iemand stapt in de trein.
Wat gebeurt er? Noem drie dingen.
12
Deel 2 · foto 4
Vertel wat er op het plaatje gebeurt. Noem minstens drie dingen. Gebruik hele zinnen.
Deel 3

Kies er één en zeg waarom

Two pictures. Choose one, explain why.
Keuze 1
Twee plaatjes: links een lift, rechts een trap, in een hotel.
Je werkt in een hotel. Lift of trap? Kies er één.
13
Deel 3 · keuze 1
Je werkt in een hotel. Kies de lift of de trap. Zeg welke je kiest en waarom. Twee of drie zinnen.
Keuze 2
Twee plaatjes: links een pil, rechts een fles hoestsiroop met lepel.
Je hebt keelpijn. Pil of siroop? Kies er één.
14
Deel 3 · keuze 2
Je hebt keelpijn. Kies de pil of de siroop. Zeg welke je kiest en waarom. Twee of drie zinnen.
Keuze 3
Twee plaatjes: links een lunchtrommel van huis, rechts een kantine.
Je lunch: van huis meenemen of in de kantine kopen? Kies er één.
15
Deel 3 · keuze 3
Kies: je lunch van huis meenemen of in de kantine kopen. Zeg welke je kiest en waarom. Twee of drie zinnen.
Keuze 4
Twee plaatjes: links iemand die een boek leest, rechts iemand die televisie kijkt.
In je vrije tijd: lezen of televisie kijken? Kies er één.
16
Deel 3 · keuze 4
Kies: in je vrije tijd een boek lezen of televisie kijken. Zeg welke je kiest en waarom. Twee of drie zinnen.
Deel 4

Drie plaatjes

Say something about each picture.
Foto 1
Drie plaatjes: een kat, een konijn en een hond.
Beschrijf elk dier en geef je mening.
17
Deel 4 · foto 1
Beschrijf elk dier in één zin. Zeg daarna welk dier jij het leukst vindt en waarom.
Foto 2
Drie plaatjes na elkaar: een vrouw borstelt een paard, geeft het eten, brengt het naar de wei.
Vertel het verhaal: 1, 2, 3.
18
Deel 4 · foto 2
Vertel het verhaal: wat gebeurt er bij elk plaatje? Gebruik eerst, daarna en ten slotte.
Foto 3
Drie plaatjes: iemand zwemt, kinderen voetballen, een vrouw speelt tennis.
Beschrijf elke sport en geef je mening.
19
Deel 4 · foto 3
Beschrijf elke sport in één zin. Zeg daarna welke sport jij het leukst vindt en waarom.
Foto 4
Drie plaatjes na elkaar: groente op tafel, iemand kookt op het fornuis, samen eten.
Vertel het verhaal: 1, 2, 3.
20
Deel 4 · foto 4
Vertel het verhaal: wat gebeurt er bij elk plaatje? Gebruik eerst, daarna en ten slotte.