Niveau B1

Waarom train je?

Zeggen waarom je iets doet: omdat, want, daarom en hoewel

Leerdoelen

  • Je kent acht nieuwe woorden over trainen en volhouden.
  • Je zegt in één zin waarom je iets doet, met omdat of want.
  • Je gebruikt daarom en hoewel en zet het werkwoord op de goede plek.
  • Je vertelt hetzelfde verhaal in drie minuten, dan in twee, dan in één.
Deel 1

De woorden

Eerst lezen en herkennen, dan zelf zeggen

Uit je eigen les

Dit zei je zelf in de laatste minuut van je vorige les. Ze zijn alle zes goed. Lees ze hardop voor.

Ik ga naar het restaurant om lekker te eten.
Ik kook thuis om geld te besparen.
Ik kook thuis omdat ik graag kook.na omdat gaat het werkwoord naar het eind
Ik ga naar het restaurant om niet te koken wanneer ik moe ben.ook na wanneer staat het werkwoord achteraan
Ik kook thuis om gezond te eten.
Ik ga naar het restaurant om samen met vrienden te zijn.
De week van Lieke
Lieke traint drie keer per week. Kijk naar haar week; je gebruikt hem straks bij de oefeningen.
Weekoverzicht met drie trainingsdagen
de handschoen staat op een trainingsdag
1
Acht nieuwe woorden
Zoek bij elk woord de goede omschrijving. Zeg het woord hardop voordat je kiest.
zweten
de spieren
volhouden
opgeven
uitrusten
de blessure
het doel
de kracht
2
Warme start
Vertel in drie zinnen wat je in een training doet. Gebruik minstens twee woorden van hierboven.
Deel 2

Twee zinnen aan elkaar

omdat, want, daarom, hoewel

Waar staat het werkwoord?

want en daarom verbinden twee hoofdzinnen. omdat en hoewel maken een bijzin, en daar gaat het werkwoord naar het eind.

  • na want: de normale volgorde
  • na daarom: eerst het werkwoord, dan ik
  • na omdat en hoewel: het werkwoord achteraan

Zeg het zo

Vier keer hetzelfde idee, vier keer een andere plek voor het werkwoord.

Ik ben blij omdat ik word sterker.
Ik ben blij omdat ik sterker word.
na omdat gaat het werkwoord naar het eind
Ik ga trainen, want ik vandaag veel energie heb.
Ik ga trainen, want ik heb vandaag veel energie.
na want blijft alles op de normale plek
Mijn spieren doen pijn. Daarom ik rust vandaag uit.
Mijn spieren doen pijn. Daarom rust ik vandaag uit.
na daarom komt eerst het werkwoord, dan ik
Hoewel ik moe ben, ik ga toch trainen.
Hoewel ik moe ben, ga ik toch trainen.
de bijzin staat vooraan, dus de tweede zin begint met het werkwoord
3
Welk woord past hier?
Kies uit: omdat, want, daarom, hoewel. Kijk naar de plek van het werkwoord, die verraadt het woord. Zeg eerst de hele zin hardop; typ dan alleen het ontbrekende woord.
1 Lieke gaat drie keer per week naar de sportschool, ze wil sterker worden.
2 Lieke gaat naar de sportschool ze sterker wil worden.
3 Ze wil sterker worden. traint ze drie keer per week.
4 ze vaak moe is, geeft ze toch niet op.
5 Haar spieren doen pijn, ze heeft gisteren hard getraind.
6 Ze rust vandaag uit haar spieren pijn doen.
7 Ze heeft een blessure. traint ze deze week niet.
8 ze een blessure heeft, komt ze toch naar de zaal.
9 Ze heeft een duidelijk doel. houdt ze het vol.
10 Ze zweet veel, de training is zwaar.
4
Waar staat het werkwoord?
Zet het werkwoord tussen ( ) op de goede plek en in de goede vorm. Zeg eerst de hele zin hardop; typ dan alleen het werkwoord.
1 Ik ga naar de training omdat ik sterker . (worden)
2 Mijn spieren doen pijn. Daarom ik vandaag uit. (uitrusten)
3 Hoewel ik moe ben, ik toch. (trainen)
4 Ik ben blij, want ik niet op. (opgeven)
5 Ze komt vandaag niet omdat ze een blessure . (hebben)
5
Eén woord klopt niet
In elke zin staat één woord fout. Zeg de goede zin hardop en klik daarna op het foute woord.
6
Maak er één zin van
Je docent zegt twee korte zinnen. Jij maakt er één zin van. Doe het twee keer: eerst met omdat, daarna met daarom.
Deel 3

Jouw verhaal in 3, 2, 1

Drie keer hetzelfde verhaal, elke keer korter
Twee momenten
Twee momenten uit een training. Gebruik ze als je straks je verhaal vertelt: wat gebeurt er in de zaal, en wat doe je erna?
In de zaal
In de zaal
Na de training
Na de training

van trainen naar uitrusten

7
Ronde 1: drie minuten
Waarom train jij? Praat drie minuten door. Geef bij elke reden een verbindingswoord: omdat, daarom of hoewel. Stop niet als je een woord kwijt bent; zeg dat woord in het Engels en ga door.
3:00
8
Ronde 2: twee minuten
Hetzelfde verhaal, nu in twee minuten. Laat weg wat niet nodig is. Gebruik minstens drie keer omdat, daarom of hoewel.
2:00
9
Ronde 3: één minuut
Hetzelfde verhaal, nu in één minuut. Alleen je belangrijkste redenen. In elke zin staat een verbindingswoord.
1:00
10
Terugblik
Vat in drie zinnen samen wat je vandaag gezegd hebt. Gebruik in elke zin één van deze woorden: omdat, daarom, hoewel.